Schommelen

Er was eens een klein meisje. Een klein meisje, met een grote droom. Elke dag ging ze met haar droom naar haar opa toe. Dan zei ze tegen hem: “Opa, opa. Ik heb een grote droom!” Het meisje spreidde haar armen, en rende om de oude man heen.

Iedere keer zei opa terug: “Dus je wilt leren vliegen, Anna?”
Het meisje keek hem verbaasd aan. “Nee opa, ik wil schommelen.” Ze wees naar een blinkende bol in de lucht, middenin een zee van sterren.

Maar schommelen op een bol?.Schommels waren plat. En waren doorgaans niet zo ver weg in de ruimte. Dat kan natuurlijk dus niet zomaar.

Of althans, dat is het geval in de meeste werelden.

Toen opa zijn kleindochter dan ook voor de zoveelste keer zo door de kamer zag rennen, besloot hij haar zijn grootste geheim te laten zien. Zo snel als hij kon, liep hij naar de keuken (wat helaas niet zo snel meer was, want hij was al een opa). Opa rommelde wat in de keukenkastjes en vond wat hij zocht.

“Weet je wat dit is, Anna?”
Het kleine meisje met de grote droom keek hem aan.
“Een schaar, opa.”
“En dit?”
Hier moest ze even over nadenken. “Volgens mij heb ik dat mama wel eens zien gebruiken.” Ineens lichtten haar ogen op. “Een naald, opa!”

De oude man wierp het meisje een glimlach toe. Maar plots verstrakte zijn gezicht.
“Wat ik je nu ga laten zien, Anna. Mag je aan niemand doorvertellen. Zelfs niet aan papa en mama! Kun je dat beloven?”
Opa had nog nooit een meisje zo zien hard zien knikken.
“Goed dan”, zei hij. “Zin om te schommelen op de maan?”

Op de planeet van opa en het kleine meisje met de grote droom, leefde ooit een magiër. Een magiër die het onmogelijke kon doen: twee werelden aan elkaar verbinden. Een hoog zwevende satelliet met een diep dal. Een diepzeester met het vaste land. De horizon met het ‘hier bent u’-pijltje op een kaart. En het enige wat hij nodig had, waren de magische voorwerpen die opa in zijn handen heeft.

Opa en Anna stapten naar buiten. Opa staarde naar de hemel, naar die prachtig gevormde maan. Een Crescent Moon, zoals de Engelsen uit die andere wereld ‘m noemen. Hij pakte de schaar…. en knipte de maan zomaar uit de hemel.

Een zee van duisternis vulde zich over de hemel. Anna, die vooralsnog met open mond zat te staren, vond eindelijk weer een aantal woorden in haar mondje.
“Maar opa, opa. Nu is er geen maan meer!” 
“Oh nee, toch.”, zei opa mysterieus. En toen haalde hij een stukje stof tevoorschijn. Een stukje stof waarop een grote gele sikkel afgebeeld stond. Een sikkel die nog altijd blonk alsof de zon er nog steeds op scheen. En het bleef maar blinken toen opa zijn naad en draad erbij pakte, en weefde alsof zijn leven eraf hing. Naald-en-draad dat de kracht had om hele werelden aan elkaar te verweven.

Daar was de maan. Hangend aan een grote boom. Geen bol, maar een sikkel. Zo compact als een plankje, zodat zelfs een klein meisje erop kon zitten. Verbonden aan twee draden – verweven in het aardse landschap. Opa en Anna zouden de hele nacht blijven schommelen, net zo lang tot de zon opkwam en de maan verdween.

Het kleine meisje, dat oh zo’n grote droom had, zou deze dag nooit meer vergeten.