Categorie: Korte verhalen

  • Theun de mol

    Theun de mol

    Theun is een ijverige mol. Met zijn sterke klauwen boorde hij dag in dag aan zijn ondergrondse mollenwegennetwerk. Maar op een dag ging het graven ineens niet meer. Hoe snel en hard hij ook met zijn scherpe klauwen door de aarde woelde, hij kwam geen centimeter meer vooruit.
    “Dit is me nog nooit voorgekomen”, denkt de mol. En dat was ook zo. Begon de ijverige mol nou zijn stoere graafkrachten te verliezen?

    Er zat maar één ding op. Boven de grond gaan, naar het bos. Misschien kunnen de dieren uit het bos hem helpen graven. Theun gaat terug naar de al gegraven tunnel op zoek naar de eerste de beste molshoop waar hij eruit kan.

    Theun is echter een dingetje vergeten: hij ziet geen hand voor ogen boven de grond. Daarom struint onze held met de grote klauwen op de tast door het bos. Voor zo’n slechtziende mol, was zijn geluk echter groots: algauw voelen zijn klauwen de vacht van een andere bosbewoner.
    “Wat voor dier bent u?”
    Want naast ijverig, was de mol ook heel beleefd.
    “Ik ben een wasbeer”, zegt de wasbeer.
    “Wat bent u aan het doen?”
    “Ik ben op zoek naar een warme plek om te slapen.”
    “Kunt u mij helpen om mijn tunnel af te graven?”
    “Nee mol, mijn klauwen zijn alleen voor het zoeken van etensresten.”
    Teleurgesteld tast de mol verder. Het duurt niet lang voordat hij de volgende bosbewoner treft.
    “Wat voor dier bent u?” vraagt de mol.
    “Ik ben een eekhoorn”,  zegt de eekhoorn.
    “Wat bent u aan het doen?”
    “Ik ben mijn holletje aan het vullen met nootjes.”
    “Kunt u mij helpen om mijn tunnel af te graven?”
    “Nee mol, mijn klauwen zijn alleen voor het verzamelen van nootjes”, antwoordt de eekhoorn.
    Teleurgesteld gaat de mol verder. Hoewel hij nog steeds geen hand voor ogen ziet, wordt de grond kouder en kouder, en hij moet zijn best doen om niet uit te glijden.

    Bij het volgende dier dat hij tegenkomt, voelen zijn grijpgrage klauwen echter geen vacht, maar veren. Het was een prachtige zwaan. Een schoonheid die de mol helaas niet kon zien.

    “Wat voor dier bent u?”
    “Ik ben een zwaan.”
    “Wat bent u aan het doen?”
    “Dat wilde ik u ook net vragen”, kaatst de zwaan terug.
    De mol is er even stil van. Dat antwoord had hij niet verwacht.
    “Weet u wel waar wij zwanen meestal te vinden zijn?”
    Theun de mol moest even nadenken.
    “Op het water!”
    De zwaan glimlacht. “Bingo.”
    Toen besefte hij het. Het waren niet zijn mollenklauwen: de koude winter had alles bevroren! Daarom was de wasbeer een warm plekje aan het zoeken en sloeg de eekhoorn een wintervoorraad in.

    Tevreden kruipt de mol weer in zijn warme ondergrondse mollenwegennetwerk. Blij dat hij zijn krachten niet verloren is. Dat graven komt na de winter wel weer, hij had nu wel wat rust verdiend.
     

  • De avonturier

    De avonturier

    “Hebbes!” Triomfantelijk haalt de man de vislijn binnen. “Het heeft even geduurd Wodan, maar we kunnen Agnes en Pietje vanavond blij maken met een heerlijke gebakken zalm.” Wodan geeft een goedkeurend blafje. Met een grijns op zijn gezicht trekt de man zijn hengel uit het water en…

    “Wat is dit nou weer”, mompelt de man verbaasd. Hij heeft een glazen flesje in zijn armen. “Denk niet dat het zo handig is als we dit in de pan gooien, Wodan”, lacht de man. “Woef!” Hij beweegt zijn arm naar voren, en staat op het punt het flesje weer terug te gooien. Dan valt hem ineens een wit, opgerold stukje papier op.

    Hij vouwt het open en begint te lezen.

    Aan de avonturier die dit leest,

    Schrik niet, maar deze brief is een noodkreet voor hulp.
    Ik zit opgesloten. Opgesloten in een andere dimensie.
    Opgesloten tussen gigantische, levensgevaarlijke beesten.
    Opgesloten op een plek waar ik mijn leven niet veilig ben.

    Enkel deze fles kon ik nog teruggooien door het gat. Mijn laatste redmiddel…
    Daarom smeek ik u, oh moedige avonturier. Help mij, help mij uit deze gevaarlijke plek.

    Ik ben u eeuwig dankbaar!

    H.S. Slot

    PS: bijgevoegd vind u uw sleutel naar de andere dimensie. Deze werkt beide kanten op.

    De man haalt een klein, groezelig sleuteltje uit de onderkant van de fles. Hij kijkt er vragend naar. “Wat denk jij, Wodan? Zou er iemand een grap met ons uithalen?”
    “Woef, woef!”
    “Dat denk ik ook”, zegt de man lachend. Ik kan me toch niet voorstellen dat als ik hieraan draai dat…

    Het gebeurt in een oogwenk van seconden. Al het geluid in de omgeving verstomt. Het beekje stopt met kabbelen, de wind ritselt niet meer aan de bomen, de vogeltjes zijn fluiten niet meer hun lied en zelfs Wodan houdt zijn kaken stevig op elkaar. Het was doodstil. Zo stil was het nog nooit geweest.
    “Wat krijgen we –“

    Maar voordat de man zijn zin af kan maken, wordt hij opnieuw getroffen door iets onwaarschijnlijks. De hemel, die eerst zo helderblauw was, kleurt ineens naar het donkerste zwart dat je ooit gezien hebt. Niet het zwart dat geprikkeld wordt door sterren, of verbleekt wordt door de wolken… pik, pikzwart. De man ziet geen hand meer voor ogen.

    Dan begint er in de stilte, in de duisternis, wat te knetteren. Het geknetter krijgt algauw gezelschap van een lichtflits, die steeds groter en groter wordt. De man doet zijn handen voor zijn ogen. “Kom, Wodan. Kom!”, schreeuwt de visser. Hij neemt zijn hond mee achter de dichtstbijzijnde boom. Maar hij kan nog net zien dat, op de plek waar hij de sleutel omdraaide, de hemel uiteen scheurt. Het gat wordt groter en groter, tot een personenwagen erdoorheen zou kunnen.

    . Mét één verschil: er zweeft nu een gat in de lucht.

    De visser zit gehurkt achter de boom. Wat was er zojuist gebeurd. Hij kon het nog maar moeilijk bevatten. Toch is het daar – een knetterend gat in de lucht. Dat verdraaide briefje sprak de waarheid. Maar, maar als dat waar zou zijn, dan…

    Hij kijkt Wodan aan. “Laten we maar eens bij dat gekke gat kijken, jongen”.
    “Woef”, knikt zijn hond terug.

    “Wat bijzonder. Uiterst bijzonder. En deze kant precies hetzelfde. Dat dit allemaal kan tegenwoordig.”
    De visser loopt onderzoekend om het gat heen. Duidelijk onder de indruk.
    “Nee, Wodan. We weten niet wat er dan gebeurd.” Hij trekt de hond snel weg bij het portaal.
    Zijn blik blijft hangen. Door het portaal is duidelijk een soort woest, tropisch landschap te zien. Met grootse bloemen en een gigantisch grazend beest. Het beest stond stevig op vier poten en zijn brede lichaam mondde uit in een gingantisch dunne, lange nek. Hij pakte met gemak de grootse bloemen. De visser zijn kennis van uitgestorven dieren was niet zo groot, maar toch wist hij vrij zeker dat hij hier met een dinosaurus te maken had.

    De visser pakte het briefje bij. Het leek hem vrij zeker dat dit de locatie was die die persoon beschreef. Maar wat zou hij doen? Zomaar naar binnen gaan? Diep van binnen voelde de visser enige weerstand. Wat als hij nooit meer terug zou komen? Maar aan de andere kant: de zender van dit flesje rekende op hem. Wie kon hem anders redden? De visser richt zich op zijn hond.
    “Wodan, wij gaan even een trip…” Zijn woorden worden afgekapt door een oorverdovend gebrul.

    Tot zijn schrik ziet hij ineens een gigantisch beest in de verte opdoemen uit het portaal. “Een Rex… Tyrannosaurus Rex”, stamelt de man. “De koning der dino’s.” Met lede ogen ziet hij toe hoe de koning der dino’s langzaam op die grote planteneter afloopt. Hij voelt hoe zijn lichaam meer en meer begint te trillen. Hij denkt aan de woorden op het papiertje, maar ook aan Agnes en Pietje en de belofte van vis op tafel.

    De man voelt zijn vastberadenheid wegebben. Hij went zijn hoofd af van het portaal. “Sorry, avonturier. Dit is voor mij wel genoeg spektakel voor één dag. Hopelijk is er ooit iemand die je eruit kan redden.” De visser stopt het papiertje en de sleutel weer terug in de fles, doet de kurk erop en gooit ‘m weg, terug in het water. Hij heeft zijn besluit gemaakt.

    De visser pakt zijn hengel, en beent weg. Hij kijkt op zijn horloge en begint te glimlachen. “Moeten we nog even een visplekje op zoeken, Wodan? We hebben vrouwlief en zoonlief ten slotte een overheerlijk zalmpje beloofd.” De hond blaft enthousiast, en kwispelt achter hem aan.

    Achter hem krimpt het portaal. De hemel kleurt blauwer en blauwer, en langzaam beginnen de vogeltjes weer te fluiten. Hoe verder de man erbij weg stapt, hoe kleiner het wordt. Tot er uiteindelijk niets meer van over is. 

  • De krulsnor

    De krulsnor

    Heb je ooit wel eens in een schilderij gewoond? Er was eens een klein, oud mannetje met een zwierige krulsnor die dit overkwam. Pardoes was hij tot een stel verfstreken gereduceerd toen hij wakker werd. Dus was dat kleine, oude mannetje gedoemd om te verblijven op hetzelfde grote doek. Een doek waar hij steeds dezelfde mensen zag, en diezelfde renbaan waar ze omheen stonden.

    Nu denk je misschien dat dit vrij saai voor het mannetje geweest moet zijn. Want wat is er nou aan om de hele dag hetzelfde te zien? En gelijk heb je. Toch vond hij het eerst wel bijzonder. Want waar wij, gewone mensen, een schilderij van buiten als een stilstaand beeld ervaren, is de wereld van binnen zo levendig als het maar kan! Verflaag voor verflaag liep hij van links naar rechts, en van boven naar onder. Hij liep tussen de jonkvrouwen en ridders, tussen de paarden en hun ruiters. Heel even, heel even glom hij zelfs van trots. Als enige met zo’n zwierige krulsnor als hij.

    Maargoed, laten we wel wezen: zelfs de lol van jouw zwierige krulsnor is er al snel van af dat ie nu nog maar een stel verflagen is.  Gebonden aan datzelfde doek. Dag in, dag uit. Zijn krulsnor hing er steeds wat triester bij.

    “Opa, mag ik naar zolder?”
    “Naar zolder, Anna? Wat moet je daar?”
    Anna glimt van plezier. “Op schattenjacht”
    Opa trekt een mysterieuze glimlach. “Oh, ik zie het. Pas je op dat je niet per ongeluk de spoken wakker maakt?”
    “Opa!”
    “Haha, grapje, grapje. Toe maar!”

    En zo ging het meisje naar de zolder van haar opa. Opa had nogal wat verzameld in zijn leven, en waar je normaal gesproken een hoop rommel en dozen verwacht, stond alles hier keurig uitgestald. Links en rechts stonden grote, lange kasten vol beeldjes, objecten en zelfs mysterieuze bewegende apparaatjes. Achterin de grote poppencollectie van oma. Aan de muren de mooiste en oudste prenten en schilderijen. Opa was trots op alles wat daar lag. Elke keer dat Anna er kwam, zag ze wel weer wat bijzonders.

    En in dit geval hoorde ze wat bijzonders. Terwijl ze een mysterieus houten kistje open probeerde te maken, leek er heel gedempt, een geluid van boven te komen. Hoorde ze dat nou goed?

    “Opa?” zei Anna.
    Geen reactie. Ze sloeg haar ogen neer, en morde weer verder.

    “H…. Help.”
    Anna stond op en keek resoluut naar boven. Kwam dit nou uit de schilderijen?
    Een voor een ging het meisje ze bij langs. Een dode boom in een duister moeras, flessenpost drijvend op zee, een renbaan vol juichende mensen… Wacht even, beweegde daar nou een zwierende snor?
    Anna knipperde even met haar ogen.
    “Ja, dat zag je goed!”, klonk er. Het leek toch echt uit het schilderij.
    “Kun je me hier misschien uithalen?”

    Maar waar ieder andere meisje vol verbazing zou reageren, of misschien zelfs gegild zou hebben, kwam er bij Anna enkel een diepe, diepe zucht uit.
    “Is opa weer bezig geweest?”
    “Is opa… weer bezig geweest?” kaatste het oude mannetje met de zwierige snor terug.

    Het meisje schudde haar hoofd. Ze zette haar keel open: “Opaaaaaa!”
    Even was het stil. “Wat is er, Anna?” klonk er op een gegeven moment van beneden.
    “Heb je nou alweer iemand in een schilderij opgesloten?”

    Opa stak zijn hoofd boven de trapdeur. “Ik zei toch dat je niet de spoken wakker moet…” Toen zag hij zijn kleindochter ineens staan, wijzend naar dat grote schilderij. Geen spook te zien.

    “Je hebt weer iemand in het schilderij opgesloten, opa!”
    “Ik zou niet durven, Anna.” riep opa terug.
    “Ohnee, wat is dit dan?” Anna wees naar de zwierige snor.
    Opa wrijft met zijn hand over zijn achterhoofd. “Dat… eh, dat is een mooie krulsnor.”
    “Hé!”, riep de krulsnor verontwaardigd. “Ik ben veel meer dan…”
    Anna onderbrak hem. “Opa, laat die arme oude man er nou uit.”

    Opa zuchtte, maar ging niet tegen zijn kleindochter in. Hij pakte het houten kistje dat Anna op de grond had laten liggen en staarde recht door het sleutelgat van het kistje. Hij ging pardoes open. Erin lag een verfkwast. Een doodgewone, als ieder ander. Opa wees met de verfkwast naar het schilderij, en tekende er een rondje mee in de lucht. Pardoes stond daar het oude mannetje weer in de kamer. Geen verfspatje op hem te bekennen, alsof hij nooit ingekleurd is geweest op het witte doek.

    Oh, wat was de man blij dat hij eindelijk weer in drie dimensies leefde. Hij begon te dansen en te springen, zo ver als zijn oude lichaam dat toeliet.

    “Handig kwastje heeft u daar”, zei de zwierige krulsnor als hij zijn blijheid eindelijk wat onder controle heeft gekregen.
    “Mijn excuses”, begon opa. “Het, het is zeker een handig kwastje. Alleen het is soms wat minder handig dat ik geen idee welke van mijn penselen de tweede is.”
    De oude man keek hem vragend aan.
    “Als ik schilder, zorgt dat soms voor wat complicaties…”
    Terwijl opa uitlegde hoe de vork in de steel zat, de oude man bedacht waarom hij zijn penselen niet één voor één checkte, probeerde Anna de verfkwast uit zijn handen te grissen. Opa was echter niet van gisteren, en hield ‘m stevig vast. Anna droop teleurgesteld af.
    “Gelukkig dat mijn kleindochter vaak op zolder wil spelen, want anders hadden er al heel wat mensen vastgezeten in schilderijen”, besluit opa lachend.

    “Maar kom, laten we naar beneden gaan. Met zo’n mooie zwierige snor, houd u vast van een stevige bak koffie.” Dat liet de oude man na zo’n lange koffieloze tijd zich geen twee keer zeggen. Ze lieten Anna achter, die inmiddels heerlijk aan het spelen was met oma’s poppen.  

    Maar ook Anna hoorde het stille gefluister niet dat uit de hoek van de kamer opstreek. Heb jij ooit wel eens in een schilderij gewoond?

  • Een videospelleven

    Een videospelleven

    Er was eens een jongetje dat heel veel van videospelletjes hield. Dag in, dag uit sprong hij naar de hoogste platformen, versloeg hij de meest kwade slechteriken en snelde hij al schilden ontwijkend naar de eerste plek. Oh, wat kon hij ervan genieten om in een andere wereld te zijn. Zijn papa en mama wilden echter dat hij ook wel eens naar buiten ging. “Maar mama”, zei het jongetje (dat trouwens Stefan heet) dan. “Kijk eens, hier ben ik altijd in een mysterieus moeras, een gevaarlijk piranhameer of op ruimtemissie naar de maan. Dat telt toch ook?”

    Maar op duistere dag (althans voor Stefan, het was eigenlijk best mooi weer) telde dat niet meer. Toen moest hij ineens het echte leven verkennen van zijn papa en mama.

    “Saai”, zegt Stefan, terwijl hij in zijn tuin ligt.
    Geen monsters om zich heen, geen schatkist om te vinden of wolkenland dat zich onder hem uitstrekte. Enkel het vaste gerommel van buurvrouw in haar boomhut naast hem. En een zon die fel in zijn ogen zat te prikken. Hij vormt een joystick met zijn handen, hopend om de zon de andere kant op te sturen. Maar dat werkte niet. Natuurlijk werkte dat niet, want dit was het echte leven.

    Opeens kwam er een bijzondere gedachte in hem op. Maar wat nou als het echte leven ook een videospelletje zou zijn?
    “Queeste geaccepteerd!”, zegt hij met fonkelende ogen. Hij rent naar binnen, pakt pen en papier en begint te schrijven. Wie kan hem meer vertellen over hoe je van het echte leven een game kunt maken? Stefan bekokstooft gedreven een lijstje, en gaat op pad.

    Zijn eerste bestemming: zijn vaders schuur. Als timmerman is de papa van Stefan veel in zijn eigen werkplaats te vinden. Wie weet dat hij iets in elkaar kon timmeren?
    “Nee, sorry zoon”, antwoordt zijn vader. “En moest jij niet van het buitenleven genieten vandaag?
    Stefan maakt zich snel uit de voeten. Dat was niet zijn beste idee.

    Op naar de volgende op zijn lijstje, zijn vriendje Tom. Tom is super goed in videospellen (al zou Stefan nooit toegeven dat ie beter was dan hem). Hij moet vast een manier hebben gevonden!

    “Nee, sorry Stefan”, antwoordt Tom. “En mijn moeder zei dat jij helemaal geen games mocht spelen vandaag, toch?” Stefan steekt zijn tong uit. “Het echte leven telt niet!” Terwijl hij wegloopt, roept Tom hem echter na: “Misschien dat je buurvrouw iets weet?”  

    De rommelende buurvrouw! Daar had Stefan nog niet aan gedacht. De buurvrouw van Stefan was uitvindster. Elke dag bedacht ze vernuftige bedenksels in een grote boomhut bij haar achter in de tuin. Wat voor bedenkels dit precies waren, wist Stefan niet zo goed, maar het had vast met videospellen te maken!

    Als Stefan de deurbel van buurvrouw indrukt, begint zijn vinger te trillen. Niet verder vertellen hoor, maar stiekem vind hij buurvrouw namelijk een beetje eng. Ze was een kleine, oude vrouw, maar had het grootste bos grijze haar dat je ooit had gezien. Ze was bijna nooit buiten, maar altijd keek altijd of ze een snood plannetje aan het bedenken was. Bijna buitenaards, leek ze.

    Maar goed, videogamenood breekt wet, natuurlijk. Na iets wat een eeuwigheid lijkt te duren, gaat de deur met een krakende zwaai open.
    “Ja?”
    “Ehm”, begint het jongetje hakkelend.
    “Mevrouw de buurvrouw. Weet u misschien hoe je het echte leven tot een videospelletje maakt?”
    Ademloos kijkt Stefan de vrouw aan. Drie keer is scheepsrecht, toch?
    Tot zijn verbazing begon buurvrouw te lachen. Het grote bos haar schaterde gezellig mee.
    “Waarom wil je dat weten, Stefan?”
    “Van papa en mama mag ik geen spelletjes meer spelen.”
    “En wat brengt je hier?”
    “Nou, ik wilde de zon bewegen met mijn armen. Maar dat lukte niet, dus ben ik langs allemaal mensen gegaan. En, en Tom zei dat u misschien wel wist hoe dat moest.”
    Begonnen er nou kleine lichtjes in buurvrouw haar ogen te schijnen?
    “Kom eens mee.”

    Schoorvoetend wandelde Stefan achter haar aan. Ze trotseerden de moeilijkst open te krijgen deuren en de meest gevaarlijke gevaren van iets te lang niet gemaaid gras. Na ongeveer dertig seconden stonden ze voor de boomhut. Hij voelde zich nog steeds niet helemaal op zijn gemak.

    Maar toen het kleine jongetje door de deuropening stapte, viel pardoes zijn mond open. In de boomhut zweefden talloze modellen van planeten en sterren, met in het midden een gigantisch schaalmodel van ons zonnestelsel. Hij zag de Aarde, die, als je goed keek, Langzaam om de zon draaide. Met daaromheen Mars, Jupiter en zelfs die stoere planeet met die grote ringen. Hoe heette die ook alweer?

    “Jij wilt de zon bewegen, zei je?” De uitvindster drukte Stefan een grote joystick in de handen. Het kleine jongetje keek de oude vrouw beduusd aan. “Toe maar”, lachte ze. En Stefan bewoog de stick naar links. Pardoes zweefde de zon dezelfde richting op, net als de Aarde en de andere planeten eromheen. Een tikje naar rechts, en het zonnestelsel zweefde mee. Stefan had nog nooit zoiets bijzonders gezien.

    Vanaf dat moment ging hij steevast naar de oude vrouw toe als hij geen videospelletjes mocht spelen van zijn ouders. En elke keer toverde ze een nieuwe speeltje tevoorschijn. Het leven was misschien geen echt videospel, maar het kwam daar aardig in de buurt. Toch vroeg hij zich af: was het nou donkerder dan normaal wanneer hij naar huis ging?

  • De Tantalusvloek

    De Tantalusvloek

    “Weten jullie wat een tantaluskwelling is?”, zei Luther, de piratenkapitein.
    Zijn bemanning begon te gapen. Moesten zij hier nou hun feest voor doorbreken?

    De piratenkapitein besteedt er geen aandacht aan.
    “Dat is een kwelling waarbij het datgene wat je wil oh zo dichtbij is, maar je het met geen mogelijkheid kunt pakken. Denk bijvoorbeeld aan een woord op het puntje van een tong ligt, maar waar je maar niet op kunt komen. De kwelling is een verwijzing naar een oude Griekse mythe. Tantalus, die oh zoveel honger en dorst had, zag het water dalen waar hij in stond elke keer verdwijnen als hij probeerde te drinken. En de rijpe vruchten vlak boven zijn hoofd? Weggeblazen door de wind, elke keer dat hij ze probeerde te pakken. Een eeuwige straf van de goden.”

    Luther pauzeert even.
    “Hoewel ik me niet kan voorstellen dat ik mij de wraak van de Griekse goden op de hals heb gehaald, ben ik wel in zo’n situatie beland, kan ik je vertellen. Een paar stappen verder, en ik had ‘m gepakt.  De Kelk der Eeuwig Leven.”’

    Zijn bemanning keek hem aan alsof hij net had benoemd dat hij een gigantische zeemeermin had gezien.

    “Echt waar?”, zegt stuurman Pio uiteindelijk.
    “Aye.”
    “De Kelk der Eeuwig Leven?”
    “Aye. De Draaikolken der Verdoemenis, de Piranhawatervallen en de Benige Kerker. Allemaal waar. ”
    Er klinkt geroezemoes.

    Luther gaat onverstoord verder. “Ik staarde naar de kelk voor me. Ik kon het water er al in zien glinsteren. Keer op keer zette ik al mijn wilskracht in mijn vingers. Tevergeefs. Een prik van een grote steekvlieg, nog groter dan een tarantulaspin, had mijn hele lichaam verstijfd in een mum van seconden. De kelk was zo dichtbij, maar tegelijkertijd zo ver weg.”

    “Wat een verschrikkelijk gevoel moet dat zijn geweest, kap’tein”, zegt Pio.
    “Aye.”
    “Maar toch staat u hier voor ons.”
    “Aye.”
    “Uw armen bewegend en al.”
    “Aye.”
    “Maar geen kelk.”

    “Urenlang stond ik daar maar stijf te zijn. De kelk in mijn blikveld, maar het leek erop dat ik er nooit van kon drinken. Sterker nog, het leek er niet eens op dat ik ooit kon vertrekken. Het leek radeloos.”

    De ogen van Luther te schitteren. “Maar toen dook daar ineens de mooiste vrouw die ik ooit had gezien op uit het water. Haar vinnen groenblauw en haar haar het helderste bruin. Ik kan beter zeemeermin zeggen.”

    “Wacht even, u hebt ook een zeemeermin gezien?”
    “Aye.”
    “Een wezen dat enkel opduikt in mythen en legendes?”
    “Aye”
    “Terwijl u voor de Kelk der Eeuwig Leven stond?”
    “Aye.”
    “U zag een zeemeermin en een kelk. En niemand van ons die dat kan bevestigen.”
    “Aye. Mag ik nu verder met mijn verhaal?”
    Pio keek de kapitein aan alsof hij gek was geworden, maar zei niets.

    “Ben je nou eens klaar met klagen?”, zei de zeemeermin tegen mij.
    Ik wist niet of ik verbaasd, verschrikt of verliefd moest kijken – maar gezien mijn verstrakte ledematen maakte dat gelukkig ook niet zoveel uit.
    De zeemeermin keek me indringend aan. Twee ronde, felblauwe ogen – flikkerend in het oplichtende water.
    “Bijna iedere maand komt er wel iemand langs om van de kelk te drinken, of om ‘m te stelen. Vertel eens, piraat, waarom jij?”
    Ik antwoord niet. Een zekere mug heeft mij die mogelijkheid ontnomen.
    De zeemeermin lijkt zich dit te realiseren, en knippert tweemaal met haar ogen. Mijn mond is weer vrij.
    “Waarom zou ik jou dat vertellen?”, zei ik tegen haar.

    De zeemeermin kneep haar felblauwe ogen fijn, en keek me secondenlang roerloos aan. Na wat een eeuwigheid leek, bewoog ze haar armen richting het water, en gaf een klein zwiepje met haar vinger. Opeens begint het water me toch te kolken en te rommelen, dat ik bang was dat de Kraken zelf er opeens uit op zou doemen, maar nee het waren tientallen, honderden geraamtes  – Pio laat een harde snuif horen – verschijnen duiken op. Geraamtes, allen in een andere positie, maar allemaal net zo verstijfd.

    Ze wendt haar blik weer op de verstijfde piraat voor zich. “Nou?”
    Ik slikte. Ik besefte me heel goed wat voor lot me zou wachten als ik een verkeerd antwoord zou geven. Gelukkig wist ik heel goed waarom ik die kelk wilde. Waarom iedereen die kelk zou willen.

    “Om eeuwig te kunnen leven…”, klinkt er zachtjes uit de bemanning.
    Ik knik.

    “Dezelfde reden als ieder ander die hier komt voor de kelk”, zei ik tegen haar. “Het leven van een piraat gaat niet over rozen. Scheurbuik, vieze rum, dat constante gekielhaal, kanonskogels, de Kraken…”

    Ik pauzeer en kijk haar recht in de ogen aan (niet dat ik veel anders kon in mijn verstijfde positie): “Ik was er klaar mee om de hele tijd op het randje van de dood te leven. Maar goed, het leventje opzeggen en als een landrot gaan leven, zag ik ook niet zo zitten. Dus nouja, één plus één is in dit geval de water naar het eeuwige leven.”

    Het gracieuze lichaam van de zeemeermin had plotseling iets sinisters. Een duivelse glimlach krult in haar lippen. “Fout geantwoord.”

    Zijn bemanning kijkt hem ademloos aan. Zelfs Pio lijkt van slag.
    “En toen, kap’tein?”

    Langzaam voelde ik mijn lichaam opstijgen.

    “Maar dit water is niet voor mezelf”, zei ik. “Of nouja, eerst wel. Maar terwijl ik hier een beetje stijf stond te wezen, had ik tijd om na te denken. Wat heb ik eigenlijk aan eeuwig leven, als ik het met niemand kon delen?”

    De zeemeermin kijkt me zwijgend aan.
    “Het leven van een piraat gaat misschien niet over rozen, maar ik deel die rozen wel met het stelletje inboorlingen die ik mijn crew mag noemen.”
    “En toch ben je hier alleen.”
    “Ja. Ja, toch ben ik hier alleen.” Ik voelde een brok opkomen, maar probeerde onverstoord door te gaan. “Het… het is niet bepaald makkelijk om hier te komen.”

    Het water kwam inmiddels akelig dichtbij. Ik sloot mijn ogen en bereidde mij voor op het ergste. Maar toen, toen voelde ik opeens weer vaste grond onder mijn voeten. Ik opende mijn ogen, en haar duistere glimlach was verdwenen. Voor het eerst klonk er iets zoets, is aangenaams in haar stem. Iets dat veel beter paste bij haar schoonheid.
    “Goed geantwoord.”

    En toen… en toen stond ik opeens weer op ons schip. Ver weg van de Benige Kerker, de Kelk en de prachtige zeemeermin. Midden tussen jullie. Alsof er niets gebeurd was.

    “En zo werd ik de kapitein die de Tantaluskwelling heeft doorbroken”, besluit Luther tevreden.
    “Maar, waar is de Kelk?”, vraagt Pio verbaast.
    “Geen idee.”
    En de zeemeermin?
    “Geen idee.”
    “En hoezo waren wij er niet meer?
    “Wie zal het zeggen?”
    “En je stond ineens weer midden tussen ons?”
    “Aye.”
    “Dus feitelijk is het alsof er niks is gebeurd.”
    “Aye”

    Pio begint te schaterlachen. Pia volgt hem. En Dio. En Luffy. Het duurde niet lang voor zijn hele bemanning aan het schaterlachen was. “U kunt sterke verhalen vertellen, Kap’tein”, zet Pio proestend. De crew wendt zich van hem af, en gaat verder met feesten. Algauw wordt er weer uit volle borst piratenliedjes gezongen, en vloeit de rum rijkelijk. Toch was de energie anders, dan normaal. De kapitein voelde een golf van dankbaarheid. Maar of ze hun kapitein geloofden?

    Geen van zijn bemanningsleden zag achter hen een groenblauwe vin gracieus onder water gaan, zelfs Luther niet.

  • Het feestmaal

    Het feestmaal

    Winnaars houden te allen tijde een feestmaal.

    Hoe ver ook weg van onze planeet: die woorden gaan altijd mee. Het is ons levensmotto als Globox. En onze motivatie om planeten kort en klein te maken, een feestmaal uit de keuken van de verslagen tegenstanders

    “En praktisch is het ook nog”, denk ik terwijl ik mijn lange vingers om wat aards voedsel sluit. Het lijkt wat op een Globox-worst, maar in plaats van gifgroen, is hij helderbruin en een beetje gebogen. Terwijl ik een hap neem, gaan mijn ogen over het uitzicht. Rook, puin en afgebrokkelde gebouwen. Precies zoals ik het graag heb.

    Maar waarom ben ik dan niet tevreden? Het zou de triomf op onze queeste zijn. De allermoeilijkste uitdaging. Het veroveren van de planeet Aarde. Een planeet zo moeilijk te vinden, dat het niet eens is toegetreden tot de Intergalactische Federatie. Door de jaren heen is het uitgegroeid tot een waar legende. Bewoners zo lang als de hoogste bergen, zo slim als de grootbreinen van Qualtios. Omgevingen gevaarlijker dan de stekelwoestijn op Al’Qaar en het ravijnlandschap van Desjmir gecombineerd. Een prachtige kers op onze oorlogstaart

    Ik beweeg mijn lange nek 180 graden naar achteren. Feestvierende Globox. Gevulde magen. De alcohol vloeit rijkelijk. Maar geen spatje zweet, bloed of tranen. De aarde bleek een planeet met gigantische waterplassen en hoge gebouwen, maar inwoners zo klein als Globoxratten. Een paar knallen van ons ionkanon, en de witte vlaggetjes gingen al naar boven. Ze boden zelfs aan om het feestmaal zelf te maken, al ware het geboren slaven.

    Mijn lange vingers beginnen te trillen. Mijn bloedlust is nog niet gestild.

    Wij Globox houden niet alleen van eten, maar ook van strijd. Daarom vechten we al jarenlang. Strijd na strijd. Planeet na planeet. Winst of verlies, het maakt ons niet uit. Maar die aardlingen hebben niets gestild. Ze kunnen nog geen deuk in een pakje boter stillen. Ik neem nog een hap. Zweet of tranen gaan misschien niet lukken, maar het bloed kan nog steeds rijkelijk vloeien.

    “Mannen”, roep ik tegen al mijn feestvierende onderdanen.
    “Hebben we hier ons nou al die tijd op voorbereid? Onze grootste strijd ooit, en hij was al over voor ie begonnen was. Ik wil het hier niet bij laten. Weg met die witte vlaggen – wie gaat er mee wat bloed laten vloeien?”
    Een oorverdovend gejuich klinkt uit de kantine. Ik kijk tevreden. Hier doe ik het allemaal voor.
    “Mensen zo zwak, verdienen het niet om…”
    Een gigantische hoestbui komt op. Ik kan ‘m niet tegenhouden.
    “Verdienen het niet om te…”
    En nog een.
    En nog een.

    Wat is dit nou? De een na de ander begint. Het lijkt wel of we op het sigarenfestijn op Krilio zijn beland. Slijm vliegt overvloedig in het rond. De kuchjes klinken scheller en scheller en mijn longen lijken er haast uit te vliegen… En dan houdt het hoesten zo snel op als het begonnen was.

    Ik wil het uitschreeuwen van de pijn, maar ik kan de lucht niet vinden. Hoe kan dit? Wat is er gebeurd? Een voor een vallen mijn mannen neer. Ging het dan toch… te makkelijk? Alles om me heen wordt zwart.  

    Winnaars houden te allen tijde een feestmaal.                 

  • Schommelen

    Schommelen

    Er was eens een klein meisje. Een klein meisje, met een grote droom. Elke dag ging ze met haar droom naar haar opa toe. Dan zei ze tegen hem: “Opa, opa. Ik heb een grote droom!” Het meisje spreidde haar armen, en rende om de oude man heen.

    Iedere keer zei opa terug: “Dus je wilt leren vliegen, Anna?”
    Het meisje keek hem verbaasd aan. “Nee opa, ik wil schommelen.” Ze wees naar een blinkende bol in de lucht, middenin een zee van sterren.

    Maar schommelen op een bol? Schommels waren plat. En waren doorgaans niet zo ver weg in de ruimte. Dat kan natuurlijk dus niet zomaar.

    Of althans, dat is het geval in de meeste werelden.

    Toen opa zijn kleindochter dan ook voor de zoveelste keer zo door de kamer zag rennen, besloot hij haar zijn grootste geheim te laten zien. Zo snel als hij kon, liep hij naar de keuken (wat helaas niet zo snel meer was, want hij was al een opa). Opa rommelde wat in de keukenkastjes en vond wat hij zocht.

    “Weet je wat dit is, Anna?”
    Het kleine meisje met de grote droom keek hem aan.
    “Een schaar, opa.”
    “En dit?”
    Hier moest ze even over nadenken. “Volgens mij heb ik dat mama wel eens zien gebruiken.” Ineens lichtten haar ogen op. “Een naald, opa!”

    De oude man wierp het meisje een glimlach toe. Maar plots verstrakte zijn gezicht.
    “Wat ik je nu ga laten zien, Anna. Mag je aan niemand doorvertellen. Zelfs niet aan papa en mama! Kun je dat beloven?”
    Opa had nog nooit een meisje zo zien hard zien knikken.
    “Goed dan”, zei hij. “Zin om te schommelen op de maan?”

    Op de planeet van opa en het kleine meisje met de grote droom, leefde ooit een magiër. Een magiër die het onmogelijke kon doen: twee werelden aan elkaar verbinden. Een hoog zwevende satelliet met een diep dal. Een diepzeester met het vaste land. De horizon met het ‘hier bent u’-pijltje op een kaart. En het enige wat hij nodig had, waren de magische voorwerpen die opa in zijn handen heeft.

    Opa en Anna stapten naar buiten. Opa staarde naar de hemel, naar die prachtig gevormde maan. Een Crescent Moon, zoals de Engelsen uit die andere wereld ‘m noemen. Hij pakte de schaar…. en knipte de maan zomaar uit de hemel.

    Een zee van duisternis vulde zich over de hemel. Anna, die vooralsnog met open mond zat te staren, vond eindelijk weer een aantal woorden in haar mondje.
    “Maar opa, opa. Nu is er geen maan meer!” 
    “Oh nee, toch.”, zei opa mysterieus. En toen haalde hij een stukje stof tevoorschijn. Een stukje stof waarop een grote gele sikkel afgebeeld stond. Een sikkel die nog altijd blonk alsof de zon er nog steeds op scheen. En het bleef maar blinken toen opa zijn naad en draad erbij pakte, en weefde alsof zijn leven eraf hing. Naald-en-draad dat de kracht had om hele werelden aan elkaar te verweven.

    Daar was de maan. Hangend aan een grote boom. Geen bol, maar een sikkel. Zo compact als een plankje, zodat zelfs een klein meisje erop kon zitten. Verbonden aan twee draden – verweven in het aardse landschap. Opa en Anna zouden de hele nacht blijven schommelen, net zo lang tot de zon opkwam en de maan verdween.

    Het kleine meisje, dat oh zo’n grote droom had, zou deze dag nooit meer vergeten.

  • Het harige monsterballetje en de grote gorilla

    Het harige monsterballetje en de grote gorilla

    Er was eens een harig monsterballetje. “Bwaaah!”, zei hij, want hij sprak in een taal die wij niet konden verstaan. Dit kwam omdat het monsterballetje uit een wereld anders dan de onze kwam. Desalniettemin leek dit Zu, want zo heette hij (of zij, maar dat kon je door die grote haardos niet zo goed zien), niet zoveel uit te maken. Die tweepotige schepsels hier waren aardig, en wierpen hem vaak wat lekkers toe. Zijn “Bwaah!” klinkt namelijk misschien intimiderend maar zijn harige bolletjeslichaam, sullige ogen en grote opkrullende mond, gaven hem een schattig voorkomen.

    Zu was nu echter niet zo blij met de aarde. Hij had zich namelijk flink in de penarie gewerkt, en dat allemaal doordat hij per ongeluk op een knopje was gaan staan. “Bwaaah!”, kraaide hij nogmaals. Hopend dat iemand hem zou komen redden. Zo hoog in de schotel van een grote ruimteschotel was de kans echter klein dat iemand hem zou horen. Helemaal omdat die schotel bovenop een grote wolkenkrabber stond.

    Wat te doen, wat te doen? Zu kon toch niet eeuwig in die schotel van die grote ruimteschotel blijven? Af en toe schuifelde hij even naar voren, gewoon om even over de rand te kijken. Wie weet vliegt er een vogel bij die hem op kan pikken of is er zo’n tweebenig schepsel vlakbij. Maar telkens als hij dichtbij de rand komt, begint hij naar adem te happen, en trippelt hij snel weer terug.

    Zu houdt niet zo van hoogtes. Als een van die tweepotige schepsels hem zo had gezien, dan had hij ongetwijfeld een extra snoepje gekregen. Maar die waren er nu niet. Zu was hier helemaal alleen in een grote ruimteschotel.

    Wat het harige monsterballetje niet wist, was dat er op dat moment een grote gorilla onder hem zijn eigen problemen had. “Sinds wanneer mag ik niet meer aan bomen hangen?” dacht deze grote gorrila, terwijl hij een aantal metalen vogels van zich afsloeg. Tuurlijk, deze boom is misschien wat harder dan die in het bos, maar dat betekent toch niet dat ik even lekker mag klimmen?”

    “En ik ben nog helemaal geen bananen tegengekomen”, verzuchte hij terwijl hij weer een metalen vogel de grond in ramde.

    Ondertussen klom de grote gorilla hoger en hoger. Eigenlijk vond hij dat helemaal niet erg, want misschien zaten er bovenin wel van die lekkere bananen. Niet wetende dat er boven hem enkel een grote satellietschotel zat met een bang harig monsterballetje.

    “Oh, hier is alleen een bang harig monsterballetje”, zei hij toen hij Zu zag. Zu’s grijnzende mond stopte pardoes met grijnzen.
    “Hé, weet jij misschien hoe ik deze metalen vogels van me kan afschudden?”
    “B… b… Bwaaah?” reageerde Zu.
    “Nee, ik ga je niet opeten” zei de grote gorilla, terwijl hij een grote metalen vogel in zijn mond stopte.

    Terwijl de grote gorilla zich vermaakte met al die metalen vogels om hem heen, begon ons kleine harige balletje langzaam de situatie te bevatten. Zijn enge schotel was spontaan veranderd in een waar gevechtsveld. Volgens mij had die grote gorilla zijn hulp helemaal niet nodig, als hij de soepelheid waarmee hij die metalen vogels van kant maakte zo bekeek. Toch was het wel fijn als hij weer op vaste grond kon staan. Hij had ondertussen best wel zin gekregen in een snoepje. Zijn tong viel uit zijn mond, die steeds meer begon te grijnzen. Misschien dat hij die uitweg wél…?

    “Bwaaaaah!” riep Zu richting de grote gorilla (die rondjes aan het draaien was met zo’n vliegende vogel).
    “Wat bedoel je?” Het gigantische beest bewoog zich richting de schattige monsterbal.
    Zu slikte toen hij zo dichtbij kwam. Hij kon de haartjes in zijn vacht tellen en voelde een warme adem in zijn gezicht.
    Hij verzamelde al zijn kracht, en fluisterde: “Bwaaah, bwaah, bwaah!”
    Toen hij was uitgebwaahd, begon de grote gorilla hardop te lachen.
    “Denk je echt dat dat werkt?”
    Zu schudde heel hard met zijn hoofd. “Bwaah!”
    “Nou, laten we dat maar doen dan. Maar ik houd je aan die bomen!”
    Hij nam de kleine haarbal op zijn schouder. De grote gorilla wierp nog een laatste blik naar achteren, en ramde een van de metalen vogels in een nabij gelegen gebouwen.
    “Om het af te leren”, zei hij.

    Vervolgens drukte hij met zijn grote hand op het midden van de schotel. En als sneeuw voor de zon waren ze verdwenen.

    Zu zuchtte een bwaah van verlichting. Ze waren weer in het bos.

    De ogen van de grote gorilla werden groot bij al die bomen. Hier waren geen grote metalen vogels! Hij zocht de dikste uit, zette zijn luidste apengeluid op en begon driftig te slingeren. Hij was de kleine haarbal allang vergeten. Dit maakte Zu niets uit. Hij was al lang blij dat hij weer terug was. Al snel zat hij alweer met zijn hoofd bij die lekkere snoepjes van die tweebenigen. Hij had wel een lekker maal verdiend.

    In zijn gedagdroom dacht hij er echter helemaal niet bij na dat hij nog steeds naast dat zekere stomme kleine knopje stond dat hem naar de satelliet deed teleporteren. En hij merkte ook niet dat er een flinketak viel uit de boom waar de grote gorilla aan het slingeren was. Pardoes op datzelfde kleine knopje.

    Zu was niet meer zo blij met de aarde.