Waar komt het woord hond vandaan?

Waar komt het woord hond vandaan? En hoe zit het pup(py), reu en teef? In dit artikel duiken we in hun etymologie.

Ons woord voor ‘hond’ stamt oorspronkelijk af van een oppervlaktemaat. Het is al meer dan 2.000 jaar in gebruik en komt van het Proto-Germaanse woord hunda(z). Dit stond voor zowel “hond” (het dier) als “honderd”.

Volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands is het rond 901-1000 als hunda (honden) vastgelegd in de Nederlandse taal. Tegen het einde van de middeleeuwen maakten we hier de spelling hond van. Het kwam via het Gotische Hunds en het Oudfriese hund kwam in onze taal terecht.

Als oppervlaktemaat werd hont tot in de 19e eeuw gebruikt hier in Nederland. Een hont was ongeveer 0,14 hectare.

Honden werden in de Oudheid zelfs vereerd. Hier de Egyptische God Anubis (Bron foto: My Animals)

De etymologie van hond heeft niets te maken met wolf. De hond (of beter gezegd: de wolf) is waarschijnlijk het eerste dier dat de mens als huisdier is gaan houden, zo’n 30.000 jaar terug. Dit is al zo lang geleden, dat er sinds de uitvinding van het schrift (5.000 tot 6.000 jaar geleden) al een wezenlijk verschil bestond tussen de twee.

De wetenschappelijke naam voor hond is Canis lupus familiaris. Dit betekent: de vriendelijke wolfhond.

Waar komen de woorden pup(py), reu en teef vandaan?

Pup(py)
Puppy en pup komen oorspronkelijk van het Franse woord voor pop of speeltje, poupée. Toen de Engelsen het in de 15e eeuw overnamen als puppy, betekende het speelgoedhondje. In 1591 werd dit een schoothondje (om mee te spelen). Een jong hondje kreeg deze naam, omdat je er net als een pop voor kon zorgen. Ook het Engelse woord puppet (marionet) is aan poupée ontleend.

Puppy drong als eerste het Nederlands binnen, via een (Engelse) advertentie in 1909. Hierin stond puppy food, puppy cake (hondenbrood voor jonge honden). Voor 1900 noemden we een klein hondje een hondekin (een hondenkind).

Het woord puppy begon ooit als speelgoedhondje. (Bron foto: AKC Pet Insurance)

Reu
Reu (mannetjeshond) lijkt oorspronkelijk van het Proto-Germaanse hreutan af te stammen: snurken of brullen. Dit betekent dat de grondbetekenis van reu waarschijnlijk ‘snuiver’, ‘snurker’ of ‘bruller’ is.

Het is dan ook niet zo gek dat ruede (1285) bij zijn intrede in het Nederlands als scheldwoord werd gebruikt: valse hond. Ook een anderhalve eeuw later (1437) was ruede een ellendeling of onmens. Maar ook: grote, sterke hond, bloedhond of mannetjeshond. Met de eeuwen verschoof de betekenis steeds meer naar dat laatste. 

Teef
Een teef is een vrouwtjeshond en komt oorspronkelijk van het Proto-Germaanse woord tibo. In Germaanse talen gebruikt men woorden met Ti- of To-  om vrouwelijke dieren aan te duiden. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit Deense tispe (vrouwtjesvos). Dit heeft waarschijnlijk te maken met de tepels van het dier!

Via het Oerengelse tife en het Middelnederduitse teve kwam het in onze taal terecht. Teef is in 1240 voor het eerst vastgelegd als teve (vrouwtjeshond).

Nog een leuk feitje: Het Engelse dog is een van de grootste mysteries in de Engelse etymologie. Vroeger zeiden ze (net als wij) hund, maar van de ene op andere dag is dit door dog vervangen. En niemand weet echt precies waarom.

Meer etymologievoer: de etymologie achter eekhoorn
Wist je dat… kat oorspronkelijk waarschijnlijk ontstaan is als lokroep?