De etymologie van hond (en 3 andere puppywoorden)

Hond, teef, reu en pup(py). ‘s Werelds trouwste viervoeter kun je op verschillende manieren aanspreken. Maar waar komen al deze termen vandaan? Ontdek de etymologie achter hond (en 3 andere puppywoorden)!

1. De etymologie achter hond

Hond is al meer dan tweeduizend jaar onveranderd! Hond komt oorspronkelijk uit de Oudheid, van het Proto-Germaanse woord hunda(z). Dit is later via het Gotische Hunds en het Oudfriese hund overgenomen in het Oudnederlands.

Honden werden in de Oudheid zelfs vereerd. Hier de Egyptische God Anubis (Bron foto: My Animals)

In de 10e eeuw (tussen 901 – 100) is hond volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands voor het eerst vastgelegd in het Nederlands als hunda (honden). Tegen het einde van de middeleeuwen maakten we hier hond van. Een klein hondje noemden we in die tijd een hondekin (een hondenkind).

De etymologie van hond heeft overigens niets te maken met wolf. De hond (of beter gezegd: de wolf) is waarschijnlijk het eerste dier dat de mens als huisdier is gaan houden, zo’n 30.000 jaar terug. Dit is al zo lang geleden, dat er sinds de uitvinding van het schrift (5.000 tot 6.000 jaar geleden) al een wezenlijk verschil bestond tussen de twee.

De wetenschappelijke naam voor hond is Canis lupus familiaris. Dit betekent zoiets als: de vriendelijke wolfhond.

Leuk feitje: Tot de 19e eeuw was hond (of hont) ook een oude Nederlandse oppervlaktemaat. Voor de geïnteresseerden: volgens Wikipedia is één hont, 100 roede en meestal ook 1/6 morgen. Ja, echt.

2. Reu

Reu (mannetjeshond) lijkt oorspronkelijk van het Proto-Germaanse hreutan af te stammen: snurken of brullen. Dit betekent dat de grondbetekenis van reu waarschijnlijk ‘snuiver’, ‘snurker’ of ‘bruller’ is. Stoer!

Het is dan ook niet zo gek dat ruede (1285) bij zijn intrede in het Nederlands als scheldwoord werd gebruikt: valse hond. Ook een anderhalve eeuw later (1437) was ruede een ellendeling of onmens. Maar ook: grote, sterke hond, bloedhond of mannetjeshond. Met de eeuwen verschoof de betekenis steeds meer naar dat laatste. 

3. Teef

Een teef is een vrouwtjeshond en komt oorspronkelijk van het Proto-Germaanse woord tibo. In Germaanse talen gebruikt men woorden met Ti- of To-  om vrouwelijke dieren aan te duiden. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit Deense tispe (vrouwtjesvos). Dit heeft waarschijnlijk te maken met de tepels van het dier!

Via het Oerengelse tife en het Middelnederduitse teve kwam het in onze taal terecht. Teef is in 1240 voor het eerst vastgelegd als teve (vrouwtjeshond).

4. Puppy (en pup)

Puppy en pup komen oorspronkelijk van het Franse woord voor pop of speeltje, poupée. Toen de Engelsen het in de 15e eeuw overnamen als puppy, betekende het dan ook speelgoedhondje. In 1591 werd dit een schoothondje (om mee te spelen). Een jong hondje kreeg deze naam, omdat je er net als een pop voor kon zorgen. Ook het Engelse woord puppet (marionet) is aan poupée ontleend.

Ja, jij begon ooit als speelgoedhondje! (Bron foto: AKC Pet Insurance)

Puppy drong als eerste het Nederlands binnen, via een (Engelse) advertentie in 1909. Hierin stond puppy food, puppy cake (hondenbrood voor jonge honden). Pup pikten we in 1921 voor het eerst op.  

Nog een leuk feitje: Het Engelse dog is een van de grootste mysteries in de Engelse etymologie. Vroeger zeiden ze (net als wij) hund, maar van de ene op andere dag is dit door dog vervangen. En niemand weet echt precies waarom.

Meer etymologievoer: de etymologie achter eekhoorn
Wist je dat… kat oorspronkelijk waarschijnlijk ontstaan is als lokroep?